H. Franciscusparochie

Alem • Ammerzoden • Hedel • Kerkdriel • Rossum • Velddriel • Zaltbommel

Franciscus’ roeping: geen ridder, maar broeder van alles en allen

Tweede artikel van een drieluik

Gepubliceerd: Maandag, 9 maart 2026 • 227 hits

Het woord ‘roe­ping’ is voor velen mysterieus. Je hoort geen auditieve stem. Ik gebruik het einde van het Johannese­van­ge­lie (21,19-22) als ik over roe­ping ver­tel. Jezus vraagt Petrus Hem te volgen. De geliefde leer­ling volgt ook. Die wéét intuïtief dat hij moet volgen. Dat noem ik roe­ping: een diep gevoel dat het goed zit. Dat gebeurt niet op slag: het is een proces van zoeken en rijpen, ook bij Fran­cis­cus van Assisi.

Fransmannetje

Die wordt in 1181/82 als zoon van Pica en de rijke lakenkoopman Pietro geboren in Assisi als papa op handels­reis naar Frank­rijk is. Pica noemt hem Giovanni di Pietro di Bernadone (Hans van Peter van grote Bernard). Bij thuis­komst vindt Pietro ‘Giovanni’ een ordinaire naam. Hij moet ‘Francesco’ (‘Fransmannetje’) heten! Al zijn rijkdom en geluk heeft Pietro immers aan Frank­rijk te danken. Vanaf dan noemt ieder­een, zelfs God, hem Fran­cis­cus.

Fran­cis­cus wil rid­der wor­den, maar Pietro wil hem als op­vol­ger. Het uit­bre­ken van de bur­ger­oor­log met buur­stad Perugia is het moment voor Fran­cis­cus om zich te bewijzen in de strijd. Assisi wordt ver­slagen en Fran­cis­cus zit een jaar in de ge­van­ge­nis.

De Heer of de Knecht?

Eenmaal vrij, weet hij het niet meer: moet hij toch maar de winkel over­ne­men? (Maar is dat alles?) Of toch rid­der wor­den? (Maar die verschrikke­lijke oorlog?) Of iets anders...? Dan roept de paus op tot een kruis­tocht. Fran­cis­cus ziet daarin een teken toch rid­der te wor­den. Maar het blijkt een gedachte van Fran­cis­cus, niet van God. Want één dagreis ver krijgt hij een droom. Een stem (God?) vraagt:

“Fran­cis­cus, wie wil je dienen: de Heer of de knecht?”

“De Heer, na­tuur­lijk!”

“Waarom volg je dan nu de knecht? Ga terug naar waar je vandaan komt, daar zal je dui­de­lijk wor­den wat je moet doen.”

Fran­cis­cus keert terug. Er volgt een reeks gebeur­te­nissen die hem zijn roe­ping leert verstaan. Hij ontmoet een melaatse. Elke mid­del­eeuwer gaat in een wijde boog om hen heen, maar... Fran­cis­cus omhelst hem en beseft dat waar hij omhoog wilde (rid­derdom was adeldom), zijn weg omlaag gaat: hij wordt broe­der van de ‘min­de­ren’ (armen, zieken).

Daarna bidt hij om dui­de­lijk­heid voor het Kruis van San Damiano. Dat ant­woordt: “Fran­cis­cus, zie je niet dat mijn Huis in verval is? Ga heen en herstel mijn Huis!” Fran­cis­cus begint daarop kerkjes te her­stel­len met gestolen geld van zijn vader. Dit leidt tot een de­fi­ni­tieve breuk tussen hen: het begin van Fran­cis­cus’ reli­gi­euze leven. Pas later blijkt dat hij het Huis van Christus, de Kerk van paus en kar­di­na­len én het gewone volk, moet her­stel­len.

Mindere Broe­ders en Arme Vrouwen

Tot Fran­cis­cus’ verba­zing willen anderen ook ‘min­dere broe­der’ wor­den. Door het Nieuwe Testa­ment drie keer open te slaan, vindt Fran­cis­cus als basis voor hun leven (en later zijn Regel) drie Bijbelcitaten:

  1. “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daar­mee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” (Mt 19,21)
  2. “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zich­zelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.” (Mt 16,24)
  3. "Neemt niets mee voor onderweg: geen stok, geen reis­zak, geen voedsel en geen geld." (Lc 9,3)

Fran­cis­cus noemt dit ‘leven naar het Evan­ge­lie’. Ook vrouwen, Clara van Assisi voorop, kiezen voor dit leven naar het Evan­ge­lie, als Arme Vrouwen.

Fran­cis­cus’ roe­ping ontwikkelt zich ver­der door ont­moe­tingen die het beeld van wie hij broe­der is, ver­gro­ten: na de melaatse, boeren, ste­de­lingen, kar­di­na­len en de paus. Ieder­een bena­dert hij met het­zelfde respect, als hun kleine broe­der. Dat ont­wa­pent.

Hij twijfelt lang of ‘preken onder de mensen’ of ‘zich terugtrekken als kluize­naar’ zijn roe­ping is. Het wordt hem dui­de­lijk dat hij in zijn twijfel Gods stem in de weg zit: vult hij niet zelf in wat God van hem wil? Hij vraagt broe­der Silvester en zuster Clara - die beide terugge­trok­ken leven - het God te vragen. Het ant­woord is eendui­dig: “Fran­cis­cus, jij hebt je roe­ping niet voor jezelf gehad...” Onder de mensen is zijn roe­ping, al verlangt hij zelf het andere...

Broe­der van allen en van alles

Fran­cis­cus besluit mee te gaan op kruis­tocht. Hij wil over vrede spreken met de Egyp­tische sultan Al-Kamil. Waar de kruisvaar­ders moor­dend en plun­de­rend rondtrekken, blijkt de sultan een edel en vrede­lie­vend mens. Fran­cis­cus beseft dat goed­heid niet is voorbe­hou­den aan chris­te­nen, dat álle mensen Gods kin­de­ren zijn en Fran­cis­cus dus broe­der van állen.

Terug in Italië wordt hij ziek. Hij heeft pijn, is bijna blind en ligt ’s nachts in een koud en voch­tig hutje, terwijl de muizen over hem heen lopen. Dan verdiept zijn roe­ping zich weer: hij beseft dat, omdat alles in Gods schep­ping met alles verbon­den is, alle onder­de­len van de schep­ping zijn broe­ders en zusters zijn. Als Fran­cis­cus, een jaar later, 3 ok­to­ber 1226, op zijn sterf­bed ligt, kan hij zo zelfs de dood ac­cep­teren. Het leven naar het Evan­ge­lie blijkt voor Fran­cis­cus een leven als broe­der van de hele schep­ping, inclusief zuster dood.

Hans-Peter Bartels ofm

___________________

Dit is het tweede artikel van een drieluik, aan­ge­bo­den door de Minder­broe­ders Fran­cis­ca­nen.

Minderbroeders Franciscanen