Katholiek Bommelerwaard

Alem • Ammerzoden • Hedel • Heerewaarden • Hurwenen • Kerkdriel • Rossum • Velddriel • Zaltbommel










Delen:
meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook
Volgen:
link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten volg Katholiek Bommelerwaard op Twitter volg Katholiek Bommelerwaard op Facebook

Pita in de gedachteniskapel

Martinuskerk aan de Oliestraat in Zaltbommel

gepubliceerd: maandag, 20 juni 2016

In de Ge­dach­te­nis­ka­pel van de Martinus­kerk staat een op­val­lend beeldhouw­werkje ver­beel­dend de bewe­ning van Christus. Het staat veilig in een mooi vitrine­kastje van hout en glas.

Inlei­ding

Van de vijf­tien­de-eeuwse Noord-Neder­landse beeldhouw­kunst in hout is tij­dens de beel­denstorm veel vernie­tigd. Maar ook in de eeuwen die daarop volg­den is menig houten beeld door ver­waar­lozing verloren gegaan als gevolg van gebrek aan waar­de­ring voor derge­lijke oude kunst­werken. In ons land verdwenen, op enkele uit­zon­de­ringen na, de grote rijk gesne­den altaarretabels, die zich achter en boven op het altaar bevon­den. Van het rijke laat­mid­deleeuwse kerkinterieur zijn in het bij­zon­der ver­schil­lende koor­banken met hun rijke versie­ring bewaard ge­ble­ven. Bewaard bleven ook een tame­lijk groot aantal losse beel­den en beel­den­groepen. Echter, door ondes­kun­dige res­tau­ra­tieve ingrepen zijn in de negen­tien­de en twin­tigste eeuw veel van deze beel­den onherken­baar veran­derd, en daar­mee ook de artis­tieke kwali­teiten die deze beel­den van zich­zelf nog bezaten.

Derge­lijke losse beel­den en beel­den­groepen zijn voor een groot gedeelte onder­ge­bracht in musea, gedeelte­lijk bevin­den zij zich nog in de kerk­ge­bouwen. Zij zijn soms afkoms­tig van grote altaarretabels waar­van zij een onder­deel hebben uitgemaakt. Soms gaat het om losse op zich zelf staande werken die een plaats had­den in het kerkinterieur, waar­on­der beel­den van Maria, andere heiligen, kruis­beel­den en zo­ge­naamde ‘Andachtsbil­der’, zoals het beeld van Christus als Man van Smarten en de Piëta, ook Nood Gods genoemd.

De voor­stel­ling van de Piëta, de treurende moe­der Maria met het lichaam van haar dode zoon, komt voor het eerst op in de Late Mid­del­eeuwen, als vrucht van het mys­tieke denken. Het is waar­schijn­lijk Albertus Magnus (Albert de Groot, 1193-1280) geweest die als eerste, in een van zijn hymnen, Maria heeft toe­ge­spro­ken als ‘Mater Pietatis’. De oudste Piëta’s ontstaan in de Rijnstreek in de loop van de veer­tien­de eeuw. Er zijn een zevental typen te on­der­schei­den naar gelang het dode lichaam van Christus meer hori­zon­taal op de schoot van Maria is weerge­ge­ven dan wel meer diago­naal en dit dan in een hoekige of juist meer vloeiende lijn. Ook kan Christus meer als kind dan als vol­was­se­ne wor­den weerge­ge­ven. Het dode lichaam kan op de grond vóór Maria zijn gesi­tu­eerd. In de vroegste voor­beel­den overheerst het type van het hori­zon­taal geplaatste lichaam en de hoekige diagonale voor­stel­ling. In de loop van de vijf­tien­de eeuw komt het type op waar meer nadruk ligt op de inner­lijke bewogen­heid van Maria. Zij wordt dan niet lan­ger als sta­tig en in zich zelf gekeerd weerge­ge­ven, maar meer vol warme men­se­lijk­heid. De figuren zijn dan niet meer hoekig en strak, maar tame­lijk vrij en los van hou­ding. In de loop van de zes­tien­de eeuw komt het type op met het op de grond vóór Maria liggende lichaam van Christus.

In de R.K. Sint-Martinus­kerk aan de Olie­straat te Zalt­bom­mel bevindt zich een beeldje van de Piëta, dat is geplaatst in de kapel die is toegewijd aan de ‘Eenheid der Chris­te­nen’.

Het Piëta-groepje in Zalt­bom­mel

Het houten groepje (h. 23 cm., b. 20 cm., d. 3 tot 7 cm.) bestaat uit drie, oor­spron­ke­lijk vier figuren. We zien een zittende Maria met het dode lichaam van Christus op haar schoot. Haar lin­kerknie is naar voren gericht waarbij haar linkervoet zicht­baar is onder haar bovenkleed. Maria kijkt neer op haar zoon en onder­steunt met haar rechter­hand zijn hoofd, terwijl zij met haar linker­hand de linkerarm van Christus omhoog houdt. Het bovenlichaam van Christus is naar voren gericht en het onderlichaam, bedekt met een kleine len­dendoek, hangt met beide benen vanaf Maria’s schoot naar bene­den, waarbij het linker onderbeen is terugge­trok­ken. De rechterarm van Christus hangt levenloos tussen de rokplooien van Maria naar bene­den.

Piëta in de gedachteniskapelRechts naast hen zien we een staande vrouwenfiguur die neerkijkt op het lichaam van Christus. Haar linker­hand is in een acclamatie­hou­ding opgericht, terwijl haar rechter­hand haar bovenkleed voor haar middel omhoog houdt. Links van Maria zien we nog het onder­ge­deelte van een figuur, waar­van niet meer is uit te maken of het om een vrouwen- dan wel mannenfiguur gaat.

De voor­stel­ling betreft niet een zuivere Piëta, waarbij alleen Maria met het dode lichaam van haar zoon wordt afge­beeld, maar meer de scène na de kruisafname, waarbij Maria met haar dode zoon wordt omgeven door omstan­ders. Derge­lijke scènevoor­stel­lingen komen vooral voor in Passieretabels en dit groepje moet wel, gezien ook de gerin­gere afme­tingen, uit een derge­lijk retabel afkoms­tig zijn. De gelaats­uit­druk­king van de figuren en hun be­trok­ken­heid op elkaar is als ‘intens’ te om­schrij­ven. Wie de twee bij­fi­gu­ren voor­stel­len is moei­lijk vast te stellen. Gebruike­lijk gaat het om Johannes en Maria Magdalena. De vrouwenfiguur aan de linkerzijde stelt echter een oudere vrouw voor met hoofd­bedek­king, terwijl Maria Magdalena meestal als een jon­gere vrouw wordt weerge­ge­ven en bovendien meestal bij de voeten van Christus is geplaatst. Van de linkerfiguur is teveel verdwenen om met zeker­heid vast te stellen of het hier om een mannenfiguur gaat.

Gezien de intense, zeer men­se­lijke uitdruk­king van de afge­beelde figuren en hun be­trok­ken­heid op elkaar ligt een date­ring in de tweede helft van de vijf­tien­de eeuw of in het begin van de zes­tien­de voor de hand.

Zo te zien is de oor­spron­ke­lijke polychromie voor een groot gedeelte bewaard ge­ble­ven. Maria is gekleed in een blauwe man­tel die ook haar hoofd bedekt en over haar schoot is gedrapeerd. Hij is voor­zien van een gou­den bies die vooral zicht­baar is bij haar hoofd en hals. Daar­on­der draagt zij een rood onderkleed, te zien bij haar borst (onder een grijze kindoek) en bij haar rechterbeen.
Het bovengewaad van de rechterfiguur, dat ook haar hoofd bedekt, is blauw-groen van kleur en het ondergewaad oranje-bruin aan de bovenzijde en rood bij de onderbenen, wat lijkt te wijzen op een latere over­schil­dering van een van deze twee polychromievel­den. Het zicht­ba­re onderkleed van de linkerfiguur heeft een lichtrode kleur. Het grondje waarop de figuren zijn geplaatst toont nog sporen van groen.

De bescha­digingen aan het beel­den­groepje betreffen, naast het niet meer aanwe­zig zijn van de bovenhelft van de linkerfiguur, vooral het linker onder­ge­deelte, waar stukjes van het grondje en de rechtervoet van Christus verloren zijn gegaan. De polychromie ver­toont ver­schil­lende hiaten en komt nogal vlekkerig over.

Eerdere beschrij­vingen

In een kranten­ver­slag in De Bom­me­ler­waard van 15 januari 1963 is te lezen hoe het beel­den­groepje in de kerk aan de Olie­straat terecht is geko­men. We lezen daar: “Ter gelegen­heid van de feesten rond het 800-jarige bestaan en het 300-jarig verblijfs­jubi­leum van de Fran­cis­ca­nen in onze stad, is door de heer M.Th. Güppertz een kost­ba­re beel­den­groep als feestgave aan de St.-Martinus­paro­chie aangebo­den. De offi­cië­le beschrij­ving van dit beeldje luidt: ‘Piëta. De H. Maagd bijgestaan door een heilige vrouw, beweent den doo­den Christus. Noord-Neder­landsch werk uit ongeveer 1500 met oor­spron­ke­lijke polychromie. Afkoms­tig uit de St.-Maartens­kerk te Zalt­bom­mel’.

Rond 1470 werd dit beel­den­groepje geplaatst in de oude, toen nog katho­lie­ke St.-Maartens­kerk. In de woelige tij­den rond de beel­denstorm werd het uit de kerk verwij­derd en het is niet uit­ge­slo­ten dat het tezamen met het bekende Maria­beeld uit de St.-Jans­kerk in Den Bosch, werd over­ge­bracht naar Brussel, waar het verbleef tot rusti­ger dagen waren aangebroken. Vele jaren gele­den werd het kost­ba­re klei­nood gevon­den door de heer Güppertz, die zijn hele leven allerlei antieke stukken, vooral met betrek­king tot de historie van onze stad, heeft verzameld, tezamen met zijn broer, wijlen de heer Anton Güppertz. Toen de heer Güppertz het beeldje liet zien aan de bekende Dr. Bouvie, de directeur van het Aarts­bis­schoppe­lijk Museum te Utrecht, was deze on­mid­del­lijk en­thou­siast. Hij vond het een ‘zeld­zaam mooi en kost­baar groepje’. ‘Reeds lang tijd liepen mijn broer en ik rond met het plan het beeldje aan de kerk te schenken en het te plaatsen in een daartoe in te richten kapel’ zo ver­telde ons de heer Güppertz. ‘Wij waren nl. de mening toe­ge­daan dat dit beeldje in Zalt­bom­mel behoorde te blijven, echter niet als museum­stuk’.

De hele historie die aan deze Piëta verbon­den is, haar ouderdom, haar afkomst e.d. heeft de pa­ro­chieraad doen besluiten dat het fraaie groepje, dat nog de oor­spron­ke­lijke kleuren ver­toont, geplaatst zal wor­den in een kapel, welke zal wor­den toegewijd aan de ‘Eenheid der Chris­te­nen’. Ge­za­men­lijk hebben de pa­ro­chi­anen een bedrag bij elkaar gebracht om deze kapel voor de Eenheid in te richten.”

Hierbij kan het volgende wor­den aange­te­kend.

Het 800-jarig bestaan van de pa­ro­chie is niet met zeker­heid vast te stellen, daarom spreekt men liever van ‘Acht eeuwen katho­li­cisme’ in de Bom­me­ler­waard, ervan uit­gaande dat er in het begin van de der­tien­de eeuw een paro­chie­kerk stond in Zalt­bom­mel.

Voor de veron­der­stel­ling dat het groepje uit de oude Sint-Maartens­kerk afkoms­tig is, zijn geen echt harde bewijzen te vin­den.

Op 17 sep­tem­ber 1629 verover­den de Staatse troepen Den Bosch en bracht Jonkvrouw Anna van Hambroek het Bossche Maria­beeld via Antwerpen naar Brussel. In Zalt­bom­mel zelf werd de Re­for­ma­tie inge­voerd vanaf 1566 met korte onderbre­kingen in 1568-1572 en 1672-1673.

Het Aarts­bis­schoppe­lijk Museum te Utrecht is te­gen­woor­dig over­ge­gaan in Museum Het Catha­rij­neconvent.

De kapel werd op zon­dag­mid­dag 15 de­cem­ber 1963 ingewijd door Mgr. J.W.M. Bluyssen, de toen­ma­lige bis­schopcoad­ju­tor van het bisdom ’s-Hertogen­bosch, geassis­teerd door pastoor Retèl, kape­laan Bult en pater Amantius van Wordragen. Dominee Rinkema, de Inter­ker­ke­lijke Jeugdraad en vele pa­ro­chi­anen woon­den de plech­tig­heid bij.

Bij de over­dracht van de Piëta aan het kerk­bestuur van de H. Martinus wer­den door M.Th. Güppertz in een schrifte­lijke ver­kla­ring, geda­teerd 11 de­cem­ber 1963, de volgende voor­waar­den vast­ge­legd: “Mijne Heren, Hierbij deel ik U mede aan uw paro­chie­kerk te schenken een mid­den 16de eeuws Piëtagroepje ter plaat­sing in een kapel in uw paro­chie­kerk. Aan deze schen­king zou ik de volgende voor­waar­den willen verbin­den: Er mag aan het beeldhouw­werkje niets veran­derd noch gerestaureerd wor­den, tenzij met medeweten en toestem­ming van de directeur van het Aarts­bis­schoppe­lijk Museum te Utrecht, onder wiens toe­zicht dit groepje blijvend zal staan. Wanneer deze voor­waar­den niet in acht wor­den geno­men zal het eigendoms­recht van het stuk over­gaan op het Aarts­bis­schoppe­lijk Museum.”

In 1973 is het groepje opnieuw be­schre­ven in het offi­cië­le Inventari­sa­tie­rap­port van de Stich­ting Ker­ke­lijk Kunstbezit Neder­land (SKKN) te Utrecht. Daar lezen we: “Beel­den­groep; bewe­ning van Christus; h. 23 – b. 20 cm.; gepolychromeerd; hout; XVIA; Maria zittend met het dode lichaam van Christus op haar schoot; aan de linkerzijde staat een vrouwenfiguur; oor­spron­ke­lijk nog een vierde figuur; deze is afgebroken en verdwenen. Polychromie op veel plaatsen bescha­digt, ook bescha­digingen aan het beeldhouw­werk. Het beeld heet afkoms­tig uit de oude Martinus­kerk te Zalt­bom­mel. Geda­teerd 1500-1550.” De inventa­risator tekent hierbij nog aan: “uit de oude Begijnhof­ka­pel?”. Deze kapel behoorde toe aan het kapit­tel van de Sint-Maartens­kerk en bevond zich ten westen van de kerk. Deze opvat­ting lijkt gebaseerd op het feit dat het vooral begijnhoven waren waar de voor­stel­ling van de Piëta in groot aanzien stond. Maar ook voor deze her­komst zijn geen harde bewijzen te vin­den.

In de nieuwe en bij­ge­werkte versie van het Inventari­sa­tie­rap­port, uit 1995, wordt naast de bescha­digingen aan zowel de polychromie als het beeldhouw­werk nog gewezen op het feit dat het groepje waar­schijn­lijk onder­deel is geweest van een groter geheel, b.v. een altaarretabel.

Een Piëta is geen beeld of beel­den­groep zoals andere beel­den. Een Piëta moet men beleven!
Men moet de tijd nemen om de voor­stel­ling te bekijken, te ervaren en op je in te laten werken.
De volgende woor­den, begrippen, erva­ringen komen hierbij naar voren o.a. erbarmen, mededogen, medelij­den, compassie, deernis, medelij­dend deelnemen aan.

Wilt u de piëta bekijken dan is daarvoor gelegen­heid op zater­dag­mid­dag. Tussen 13.00 uur en 14.30 uur is de kerk vaak open als stilte­cen­trum.

Martien van Iersel


_____________________________

 

Literatuur en bronnen

  • ‘De Piëta’s te Blaricum en te Eemnes’, Mede­de­lingen van het Museum voor het Gooi en
    Omstreken, 1942
  • ‘Jubilerende Pa­ro­chie krijgt kost­baar beeld’, De Bom­me­ler­waard 21ste jaargang no. 5 dins­dag 15 maart 1963.
  • Mr. F.J. van Lanschot, … Heemschut­se­rie 1950
  • ‘Kapel Eenheid der Chris­te­nen geopend’, De Bom­me­ler­waard 21ste jaargang no. 100 dins­dag 17-12-1963.
  • ‘Over­dracht Piëta’, SAB 22/261
  • J.H. Emminghaus, ‘Vesperbild’, in: Engelbert Kirschbaum, Lexikon de Christlichen
    Ikonographie, Frei­burg Im Breisgau etc. 1972, Band IV, 450-456
  • Inventari­sa­tie Sint-Martinus­kerk Olie­straat Zalt­bom­mel, SKKN Utrecht 1973 (herziene
    inventari­sa­tie 1995; beide aanwe­zig bij de SKKN, Maria­hoek 16-17 te Utrecht).
  • H.C. Kesseler, ‘Inventari­sa­tie van het archief van de pastoor van de H. Martinus te
    Zalt­bom­mel’, SAB, Bk. 678/6
  • J.J.M. Timmers, Chris­te­lijke symboliek en iconografie, Bussum 1974, 142-144 (nr. 363)
  • Joanna E. Ziegler, Sculpture of compassion: the pieta and the beguines in the southern Low
    Countries, Brussel / Rome 1992
  • Bisdom ’s-Hertogen­bosch via zuster Regina Mattens o.p.
  • Mondelinge en schrifte­lijke in­for­ma­tie door H.A. Tummers, kunsthistoricus aan de uni­ver­si­teit van Nijmegen met als speciali­teit laat mid­del­eeuwse houtsculpturen.




 

 

Home

Nieuws

Agenda

Contact

Ik wil

 

Mijn kindje laten dopen
De Eerste H. Communie
Het H. Vormsel
Trouwen
Biechten
Ziekencommunie
Ziekenzalving
Uitvaart regelen
Misintentie opgeven
Meehelpen in de parochie
Inschrijven in de parochie
Adreswijziging doorgeven
Doneren
Een kerk gebruiken

Ik zoek

 

Adressen
Jeugdactiviteiten
Gezinsviering
Parochieblad
Kinderpagina
Catechese
Alphacursus
Koor
Begraafplaats
Misboekje
Op Trefwoord

Vieringen

 

Alle vieringen
Alem
Ammerzoden
Hedel
Kerkdriel
Rossum
Velddriel
Zaltbommel
Doopvieringen
Eerste H. Communie
Vormselvieringen
Ouderenvieringen
Oecum. vieringen
Intenties
Vaste vieringen

Sacrament

 

Doop
Eerste H. Communie
Vormsel
Biecht
Huwelijk
Ziekenzalving
Uitvaart

Algemeen

 

Geschiedenis
Franciscus
Pastoraal team
Bestuur
Pastoraatsgroep
Parochieblad
Adressen
Documenten
Tarieven
Veelgestelde vragen
Links
Sociale media
Privacy
Disclaimer