H. Franciscusparochie

Alem • Ammerzoden • Hedel • Kerkdriel • Rossum • Velddriel • Zaltbommel

Geschiedenis Kerkdriel

Gepubliceerd: Donderdag, 24 november 2011

De katho­lieken van Kerkdriel bouw­den rond 1300 een kerk­ge­bouw aan de Teister­band­straat (op de plaats waar nu de pro­tes­tantse kerk staat). Het gebouw werd opge­trok­ken in de Romaanse stijl. Later verscheen er op die plaats een nieuwe gotische kerk. Deze kwam aan het einde van de zes­tien­de eeuw, ten tijde van de Re­for­ma­tie, in han­den van de pro­tes­tan­ten.

De Kerkdrielse katho­lieken wer­den in deze moei­lijke periode bijgestaan door de pastoor van het Brabantse Alem en door de fran­cis­ca­nen, die vanuit hun klooster in Megen met hun bootjes gere­geld de Maas overstaken. Pater Johannes Ooms was een van hen.

Aan het einde van de zeven­tien­de eeuw mochten de katho­lieken tegen een flinke vergoe­ding voor de pro­tes­tantse macht­heb­bers een schuur­kerk bouwen. Deze kwam in een bij­ge­bouw van het huis Leijenstein aan de hui­dige Leijenstein­straat. De familie Cocq van Delwijnen, de eige­naars van dit herenhuis, maakte dit moge­lijk. 

In de Franse Tijd wer­den alle gods­diensten voor de wet gelijk gesteld. De Kerkdrielse katho­lieken zochten en von­den daarop moge­lijk­he­den om een eigen kerk­ge­bouw te ves­tigen. De ingenieurs van het ministerie van Water­staat ontwierpen een kerk­mo­del dat op vele plaatsen werd toegepast. Zodoende kwam er ook in Kerkdriel in 1829 een zoge­naamde Water­staats­kerk. In 1905 werd deze kerk vergroot. Het geheel werd voor­zien van een 56 meter hoge toren, die de naam “Zwijsen-toren” kreeg. De Kerkdrielse ge­meen­schap eerde zo de uit haar eigen plaats afkoms­tige en door eenie­der ge­waar­deerde acht­tien­de eeuwse bis­schop van ’s-Hertogen­bosch.

Op het einde van de Tweede Wereld­oor­log kreeg een zoge­naamd “Sprengcommando” vanuit Zalt­bom­mel opdracht om alle nog overeind staande kerktorens in de Bom­me­ler­waard neer te halen. Zodoende werd op 23 april 1945 ook de toren van de Kerkdrielse kerk opgeblazen.

Na de terug­keer van evacuatie werd het kerk­ge­bouw door het kerk­bestuur ingericht als nood­kerk. Dit kreeg de wellui­dende naam “Het Witte Huis”.

Rond 1950 kregen de kerk­besturen ein­de­lijk de moge­lijk­he­den om hun verwoeste bede­hui­zen te laten herrijzen. Na een flinke voor­be­rei­dings­pe­riode waarin onder­handeld moest wor­den met architecten, aannemers en vooral lang­zaam draaiende over­heids­in­stan­ties kon op 31 mei 1955 ein­de­lijk de nieuwe kerk wor­den ingewijd.